‘Criminaliteit voorkom je niet met een slachtofferindustrie’. Een gesprek met Marcel van de Ven

Jelle van Baardewijk in gesprek met oud stadsmarinier Marcel van de Ven. “Je moet naar de krachten in de samenleving, die moet je weten te mobiliseren.”

Zo’n vijftien, zestien jaar geleden, zo vertelt Van de Ven, waren grote delen van Rotterdam onveilig. Er was veel problematiek rondom jongeren. “Daar is de functie stadsmarinier uit geboren. Dat is eigenlijk een topambtenaar die anders dan anderen met de poten in de klei, echt in de haarvaten in de samenleving, aan de slag gaat.” Dat betekent: in de wijk in een pand zitten, bewoners, ondernemers en andere instellingen spreken en zo problemen aanpakken. “Echt een spil middenin de samenleving.”

Een stadsmarinier zit er namens de burgemeester. Hij heeft contact met de driehoek, maar om tot actie over te gaan hoeft hij niet eerst door een bureaucratische molen. Dat leidt tot sneller handelen. Van de Ven: “Soms moet je direct anticiperen of reageren.” Veiligheid is daarbij geen doel op zich. Als het economisch, ruimtelijk en sociaal goed geregeld is, zo vertelt Van de Ven, “dan is leefbaarheid de uitkomst”. In dit gesprek vertelt hij over enkele projecten, zoals in Feyenoord waar hij een grote groep probleemjongeren aan werkervaring hielp, en op bedrijventerrein de Spaanse polder, waar liefst 28 criminele bedrijven zijn vertrokken.

Van de Ven heeft kritiek op hoe de criminaliteit vaak wordt aangepakt. “Het riekt naar een soort slachtofferindustrie. Veel organisaties ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat die problemen bestaan.” Er is sprake van ‘institutionele wereldvreemdheid’, zoals hij het noemt. Men weet nauwelijks wat er feitelijk speelt. “Het is veel praten over maar weinig praten met.” Op het moment is Van de Ven werkzaam binnen de wereld van transport en infrastructuur. Daar brengt hij dezelfde methode in de praktijk: “Je moet werelden verbinden.” Van de Ven kijkt wat er speelt bij diverse partijen en brengt deze bij elkaar om criminaliteit tegen te gaan. “Je gaat naar de krachten in de samenleving. Die moet je weten te mobiliseren. Dan ontstaat er beweging en vormen die je aan de voorkant nooit had kunnen bedenken.”