Sientje (84): “In Nederland had ik een heel ander leven gehad”

Bekend is dat circa 350.000 mensen gerepatrieerd zijn uit het voormalige Nederlands-Indië. Relatief onbekend is dat er een behoorlijk aantal (ongewild) achtergebleven is. Sientje Fockema (84) is een van hen.

Haar ogen zijn blauw, haar mond tandeloos en haar lange grijze haren worden niet bedekt door een hoofddoek. In perfect Nederlands spreekt ze ons toe: “Ik hoorde dat er Hollanders door onze wijk lopen. Mijn naam is Sientje Fockema en mijn familie komt uit Groningen.” De 84-jarige Sientje is een van achtergebleven Nederlanders na de grote repatriatiegolf.

Tussen 1945 en het eind van de jaren zestig kwamen er zo’n 350.000 Nederlanders (en Molukkers) over uit Nederlands-Indië. Dit is inclusief de zogenaamde ‘spijtoptanten’, de mensen die ondanks hun keuze om in Indonesië te blijven later werden beschouwd als handlangers van de vroegere kolonisator. De gespannen verhouding tussen Nederland en Indonesië als gevolg van de kwestie Nieuw Guinea had hier veel invloed op.

Een aanzienlijk aantal Nederlanders dat ervoor koos om in Indonesië te blijven, was echter niet op de hoogte van de zogenaamde spijtoptantenregeling. Veel van de achtergebleven Indische Nederlanders verloren hun baan in het onafhankelijke Indonesië. Ook hadden ze op latere leeftijd geen recht op pensioen vanuit Nederland. Er zijn een aanzienlijk aantal gevallen bekend van achterblijvers die in armoe zijn gestorven en ook niet in staat waren om hun kinderen een behoorlijke opleiding te laten volgen.

Het lot van deze mensen werd bepaald doordat zij kwamen te staan tussen aan de ene kant een volk dat terecht voor zijn onafhankelijkheid opkwam (Indonesië) en aan de andere kant een land (Nederland) dat pas na veel geweld bereid was om deze onafhankelijkheid toe te kennen.
Tegelijkertijd maakte het deze mensen zeer moeilijk om naar Nederland te komen.

Samen met Erna, maakte zij een reis naar haar moederland Indonesië. Ze was voor het eerst weer terug nadat ze 65 jaar geleden naar Nederland was gekomen. Tijdens deze vakantie zijn we op zoek naar plekken uit het verleden van Erna. Veel is er veranderd, maar de lantaarnpaal waar ze vaak met haar vriendinnen Marietje en Noortje onder speelde staat er nog steeds. Tot ontroering van mijn moeder.

Zou ze haar vriendinnetje Noortje, die vlak bij die lantaarnpaal woonde en die met haar familie Indonesisch werd, nog terug kunnen vinden?

Terwijl we rondlopen worden we aangesproken door Sientje die ons voor haar huisje opwacht. Sientje blijkt verrassend genoeg een vriendin te zijn van Marietje, de zus van Noortje, die een eind verderop woont. Mijn moeder vraagt naar Noortje. Die blijkt jammer genoeg drie maanden ervoor overleden te zijn. Net te laat. Maar Marietje leeft nog en de vrouwen vallen elkaar met veel enthousiasme in de armen en beginnen te kletsen alsof ze elkaar gisteren nog hebben gezien. En daar hoort natuurlijk een typisch Indisch broodje-aapverhaal bij.

Het rechterooglid van Marietje had al een tijd een zenuwtic, een ‘teken’ dat er binnenkort een ontmoeting plaatsvindt met iemand die je al lang niet meer hebt gezien.

Marietje: “Ik werd er gek van en dacht: wie ga ik toch ontmoeten die ik al lang niet gezien heb? Dat was jij Erna!”

De grootouders van Sientje kwamen uit Groningen. Haar grootvader was KNIL-militair en werd naar Indië uitgezonden. Ze hadden vier kinderen, waaronder Sientje’s vader Lodewijk. Lodewijk trouwde met de Indonesische Menik en kreeg vier kinderen: drie zonen die vlak na de geboorte overleden en dochter Sientje.

Na de onafhankelijkheid van Indonesië besloten de broer en zussen van Lodewijk terug te keren naar Nederland. Lodewijk koos ervoor om samen met zijn Indonesische vrouw in het onafhankelijke Indonesië te blijven. Een tante stelde voor om haar nichtje Sientje mee te nemen naar Nederland zodat ze daar een goede opleiding kon volgen. Maar moeder Menik weigerde haar nog enige overgebleven kind te laten gaan. Sientje heeft haar ooms en tantes nooit meer teruggezien. Wel bleef haar tante regelmatig wat sturen vanuit Nederland.

We nemen Sientje en Marietje mee uit eten. Voor Sientje een hele klus, want ze heeft geen enkele tand meer in haar mond en moet op haar eten sabbelen. Ik zit naast haar en ze vertelt dat het moeilijk voor haar is de eindjes aan elkaar te knopen. Het huis waar ze nu al bijna zeventig jaar woont is haar ouderlijk huis. In een wijk met huurhuizen waar ooit alleen maar Indische Nederlanders woonden. Nu is ze samen met Marietje de enige. Haar huis heeft ze gelukkig al heel lang geleden kunnen kopen van het geld dat een tante uit Nederland haar opstuurde.

Haar man is al jaren geleden overleden en nu woont ze er met haar werkloze zoon, diens vrouw en hun zoontje Yoga van veertien. Af en toe krijgt ze wat geld van de protestantse kerk, maar dat is niet veel.

Haar buurvrouw zegt haar te kunnen helpen wanneer ze zich tot de Islam bekeert maar dat wil Sientje niet. Ze is protestants en wil dat tot aan haar dood blijven.

Op het einde van de avond fluistert ze in mijn oor:
“Je vergeet me toch niet he?”

Eén keer kreeg Sientje nog een kans om naar Nederland te komen. Maar Sientje durfde niet. Ze was getrouwd met een Javaan en had inmiddels zeven kinderen. Het was een beslissing die ze toen niet durfde te nemen en één die ze tot op de dag van vandaag betreurt. “Ik ben zo dom geweest,” prevelt ze gelaten. “Was ik maar gegaan, dan had ik een heel ander leven gehad.”
Toen er op een gegeven moment geen geld meer uit Nederland kwam, besefte ze dat haar tante was overleden. Sindsdien is het een hele uitdaging om de eindjes aan elkaar zien te knopen.
En dan schaterend: “Een engel met een spitse neus!” Ik hoop voor Sientje dat ze heel oud mag worden.

Er is weinig aandacht voor deze vergeten groep. Gelukkig doet Francien Tammeling met de Stichting Teman Teman Setian Hati het nodige voor deze groep slachtoffers van de geschiedenis.

door Han Dehne

BREAKING: Forensisch bewijs laat zien dat de laptop in het midden van NYP-exposé van Hunter Biden was – Daily Mail