Surinaamse woorden en idiomen

a – de/het/een (lidwoord)

anu – hand

ati – hart

bedi – bed

bikasi – omdat

bosi – kus

broko – breken

bron – branden

bronbron – Surinaamse rijstwafel

ede – hoofd

Fawaka? – Hoe gaat het?

faya – 1. vuur – 2. heet (temperatuur)

hati – pijn

hatoso – ziekenhuis

hebi – zwaar

hebi libi – familietoestanden die van generatie op generatie gaan

leti – 1. gelijk hebben – 2. aansteken – 3. rechtvaardig

let a faya – 1. doe het licht aan – 2. steek het vuur aan

libi – leven

libi sma – mensen in het algemeen

lobi – liefde

maskita – mug